Loofbos de oerbossen van morgen
De loofbossen in het „ Woud“- Nationaal Park Eifel hadden een doorslaggevende rol in de bestemming van het Nationaal Park en daardoor een beschermd als geheel. Doel van het Nationaal Park beheer is het huidige areaal loofbos van ca. 33% op lange termijn te verhogen tot 75%. De loofbossen worden aan de natuurlijke processen overgelaten dat betekend dat er niet meer wordt in gegrepen in de bestanden en de „natuur, natuur mag zijn“. Zo ontstaat uit een eeuwen oud productie bos een oerbos dat zich vrij kan ontwikkelen.
Het landschap wordt door het grote aandeel aan beuken- en eikenbos bepaald. Het beukenbos, voornamelijk bij Kermeter en Dedenborn, bedekt momenteel ca 13% van de oppervlakte van het Nationaal Park. De beuk heeft een bijzondere betekenis voor het Nationaal Park Eifel, namelijk door de intensieve inkomsten bron die de bosgemeenschap de mensen in de Eifel biedt. Afhankelijk van de samenstelling van de ondergrond zijn er verschillende beukenbostypen te onderscheiden. Hoe basenrijker de bodem is hoe weelderiger bloeit hier in het voorjaar de bontgekleurden bloemenvelden met verschillende boskruiden.
Het eikenbos heeft een oppervlakte van ongeveer 17% van het Nationaal Park. Van nature komt het eikenbos vooral voor op de zongeexponeerde zuidhelling van Kermeter en Urfftal. De wintereik verdraagt de droogte veel beter als andere loofbomen en dat geeft hem een goede concurerende positie. De meeste eikenbossen vinden we in het Nationaal Park in het gebied bij Hetzingen, Kermeter en op de hoogvlakte van Dreiborn en hun voorkomen hier is hoofdzakelijk aan menselijk ingrijpen te danken. Vooral de looizuurrijke bast van de eik wordt voor de lederverwerking, voor het looien van leer, gebruikt.
De loofbostypen die zeldzamer voorkomen in het Nationaal Park zijn voor de natuurbescherming ook bijzonder waardevol. Langs beken treffen we veelal broekbossen aan met elzen, essen en wilgen. In enkele kloven en op het noorden geexponeerde steile hellingen, met hun specifieke vochtigere en koelere microklimaat, vinden we vooral veeleisende soorten zoals esdoorn, linde, iep en essen. Op de grond domineren vooral varens de zogenoemde kruidlaag. Op kleinere stukjes met een altijd natte ondergrond treffen we, in het hoger gelegen gedeelte in het zuiden van het Nationaal Park, veenbos aan met zachte berken en zwarte elzen. De bodemvegetatie bestaat hoofdzakelijk uit mos en grassoorten.
Ook voor de dierwereld speelt het loofbos een heel belangrijke rol. Hier komen talrijke vogelsoorten, vleermuizen, kevers en andere insecten voor. Het wild bevind zich bij een hoog bezoekers aantal vooral in de dichtere opstanden in het bos.
Het landschap wordt door het grote aandeel aan beuken- en eikenbos bepaald. Het beukenbos, voornamelijk bij Kermeter en Dedenborn, bedekt momenteel ca 13% van de oppervlakte van het Nationaal Park. De beuk heeft een bijzondere betekenis voor het Nationaal Park Eifel, namelijk door de intensieve inkomsten bron die de bosgemeenschap de mensen in de Eifel biedt. Afhankelijk van de samenstelling van de ondergrond zijn er verschillende beukenbostypen te onderscheiden. Hoe basenrijker de bodem is hoe weelderiger bloeit hier in het voorjaar de bontgekleurden bloemenvelden met verschillende boskruiden.
Het eikenbos heeft een oppervlakte van ongeveer 17% van het Nationaal Park. Van nature komt het eikenbos vooral voor op de zongeexponeerde zuidhelling van Kermeter en Urfftal. De wintereik verdraagt de droogte veel beter als andere loofbomen en dat geeft hem een goede concurerende positie. De meeste eikenbossen vinden we in het Nationaal Park in het gebied bij Hetzingen, Kermeter en op de hoogvlakte van Dreiborn en hun voorkomen hier is hoofdzakelijk aan menselijk ingrijpen te danken. Vooral de looizuurrijke bast van de eik wordt voor de lederverwerking, voor het looien van leer, gebruikt.
De loofbostypen die zeldzamer voorkomen in het Nationaal Park zijn voor de natuurbescherming ook bijzonder waardevol. Langs beken treffen we veelal broekbossen aan met elzen, essen en wilgen. In enkele kloven en op het noorden geexponeerde steile hellingen, met hun specifieke vochtigere en koelere microklimaat, vinden we vooral veeleisende soorten zoals esdoorn, linde, iep en essen. Op de grond domineren vooral varens de zogenoemde kruidlaag. Op kleinere stukjes met een altijd natte ondergrond treffen we, in het hoger gelegen gedeelte in het zuiden van het Nationaal Park, veenbos aan met zachte berken en zwarte elzen. De bodemvegetatie bestaat hoofdzakelijk uit mos en grassoorten.
Ook voor de dierwereld speelt het loofbos een heel belangrijke rol. Hier komen talrijke vogelsoorten, vleermuizen, kevers en andere insecten voor. Het wild bevind zich bij een hoog bezoekers aantal vooral in de dichtere opstanden in het bos.



















